Beknopte geschiedenis van het Landbouwonderwijs in Nederland en Groningen

 

Het Landbouwonderwijs is in Nederland vreemd genoeg maar langzaam van de grond gekomen. Men ging er aanvankelijk van uit dat het niet zinvol was om wetenschappelijke principes toe te passen op een zo ervaringsgericht beroepsveld als de landbouw. Wel werd er reeds in 1786 door J.F. Muller op gewezen dat het vooral de taak van predikanten en onderwijzers was om landbouwers deze wetenschappelijke kennis bij te brengen. Het duurde echter nog tot 1815 voordat enkele universiteiten het vak landhuishoudkunde invoerden. Het volgen van dit vak werd ook prompt verplicht gesteld voor de studenten theologie. Van hen werd immers verwacht dat zij de kennis en status hadden om deze kennis over te brengen.

In Groningen werden deze colleges in 1815 opgedragen aan professor dr. J.A. Uildriks (1772-1825). Hij was predikant en schrijver van allerlei werken over natuurkundige onderwerpen. Na zijn dood werd hij opgevolgd door professor dr. H.C. van Hall (1801-1874). Deze was aanvankelijk arts en een ijverig beoefenaar van de plantkunde. Ook was hij "beheerder" van een collectie landbouwwerktuigen. Professor Van Hall is in alle opzichten een bekende Groninger geworden en de vernoeming van de Parallelweg tot Prof. Dr. H.C. van Hallstraat is dan ook terecht geweest. Vooral omdat aan deze Parallelweg toen al de behuizing van het landbouwonderwijs was gevestigd!

Het schoolgebouw aan de toenmalige Parallelweg bij het station

Professor Van Hall en zijn collega’s aan andere universiteiten vonden de colleges landhuishoudkunde vanwege het zeer geringe effect een aanfluiting voor het landbouwonderwijs. De verplichting tot het volgen van deze colleges werd dan ook in 1840 opgeheven.

 

Maatschappij voor Weldadigheid

De ‘Maatschappij tot Weldadigheid’ had intussen in 1823 al het initiatief genomen om een landbouwschool op te richten in Wateren. Men beoogde een "opvoedingsinstituut voor den landbouw" van de grond te krijgen. Er zijn wel enige landbouwkundige proeven genomen, maar een modelschool is het nooit geworden. Doordat men geen leerlingen van buiten aannam is haar rol slechts van beperkte betekenis geweest en in 1860 kwam er dan ook een einde aan het ‘Instituut voor de Landbouw’.

Van meer betekenis is de landbouwschool te Haren geweest. Deze werd in 1842 opgericht door wat nu de ‘Groninger Maatschappij voor Landbouw’ heet. Steeds meer boeren die de colleges van Van Hall bijwoonden waren ontevreden over dit type landbouwonderwijs. Zij waren van mening dat er ook in een aantal andere vakken onderwezen moest worden, en niet alleen landhuishoudkunde alleen. Zo kwam bijvoorbeeld door het werk van Justus von Liebig (1803-1873) de landbouwchemie voor het voetlicht.

De ‘Groninger Maatschappij voor Landbouw’ kocht uiteindelijk in Haren een boerderij van 17,5 hectare, welke in 1853 flink werd vergroot. Hierop stichtten zij hun landbouwschool. Professor Van Hall werd directeur van deze school.

De Harense landbouwschool leverde een vierjarige opleiding, verdeeld over winter- en zomerhalfjaren. In de winterhalfjaren werd er met name theoretisch onderwijs gegeven. In het zomerhalfjaar werd met name praktisch werk verricht op het bedrijf. Op het lesrooster stonden verschillende algemeen vormende vakken, landbouwkundige vakken en enkele basisvakken. Vreemd genoeg ontbrak het vak Nederlands in het pakket….

Door allerlei oorzaken was ook deze landbouwschool geen lang leven beschoren, zodat in 1871 een einde kwam aan haar bestaan.

 

Wet van Thorbecke

Inmiddels was in 1863 de Wet van Thorbecke op het middelbaar onderwijs tot stand gekomen. Deze regelde het onderwijs op de toenmalige hogere burgerschool. Deze wet maakte het ook mogelijk om op deze scholen de eerste beginselen der landbouwkunde te onderwijzen. Dit leidde tot de oprichting van drie agrarische scholen in Watergraafsmeer, Warffum en Wageningen. Vreemd genoeg bleek deze wet juist een hinderpaal te zijn bij het tot stand komen van adequaat landbouwonderwijs. Er was in de wet wel sprake van een Rijkslandbouwschool, maar deze zou er alleen komen wanneer niet op een andere wijze in dit onderwijs werd voorzien. En hoe de minister tegen Watergraafsmeer, Haren, Warffum en Wageningen aan keek laat zich raden. Voorlopig kwam de school er dus niet.

Aangezien de landbouworganisaties en universiteiten flinke druk uit bleven oefenen op de minister van onderwijs bleef de school wel in beeld. Na het staken van het landbouwonderwijs in Warffum (1874) en Haren (1871) zag de regering toch in dat het landbouwonderwijs niet aan gemeenten of instellingen kon worden overgelaten. Zij nam dan ook de Gemeentelijke Landbouwschool en de Hogere Burger School in Wageningen over en verhief deze tot de lang gewenste Rijkslandbouwschool.

 

Rijkslandbouwschool

De nieuwe Rijkslandbouwschool werd op 18 september 1876 feestelijk geopend. Deze school bleek in een grote behoefte te voldoen, maar had ook wat last van de snel veranderende wensen op onderwijsgebied. Uiteindelijk, na tweede eerdere reorganisaties, werd besloten in 1904 de Rijkslandbouwschool weer op te heffen en deze te vervangen door vier zelfstandige inrichtingen, allen gevestigd te Wageningen. Deze inrichtingen werden de Rijks Hogere Land-, Tuin- en Bosbouwschool, de Rijkslandbouwschool, de Rijkstuinbouwschool en de Rijks Hogere Burger School. De Rijkstuinbouwschool en de Rijks Hogere Burger School blijven in dit verhaal verder buiten beschouwing. De Rijks Hogere Land-, Tuin- en Bosbouwschool is sindsdien sterk gegroeid en kreeg in 1918 erkenning door een verheffing tot Landbouwhogeschool. De Rijkslandbouwschool maakte ook een sterke groei door. Zij kwam echter wel vlot in de problemen. Niet alleen boerenzonen, met een voorkeur voor de praktijk van de Nederlandse landbouw, stroomden toe, maar ook tal van stedelingen, met een voorkeur voor de tropische landbouw, kwamen naar Wageningen. Deze laatste groep werd uiteindelijk verreweg de grootste, terwijl het onderwijs afgestemd was op de behoefte van de Nederlandse landbouw. Pas in het vierde cursus jaar kwam de tropische landbouw aan bod. Gevolg was dat het onderwijs zich steeds meer ging richten op de "tropische leerlingen" en de "Nederlandse leerlingen" onvoldoende profijt uit de opleiding haalden. Uiteindelijk werden de bezwaren te groot en in 1912 werd de Rijkslandbouwschool te Wageningen opgeheven.

 

Rijks Middelbare Landbouwschool

De opheffing van de Rijkslandbouwschool te Wageningen was niet het einde van het landbouwonderwijs. Zij werd namelijk vervangen door een Rijks Middelbare Landbouwschool te Groningen en een Rijks Middelbare Koloniale Landbouwschool te Deventer. Vreemd genoeg ging de Groninger school daarna door het leven als de "Middelbare Landbouw School". Tot eerste directeur van de Middelbare Landbouw School werd benoemd de heer Ir. Jan Heidema, een naam die wij nog vaker tegen gaan komen.

 

Landbouwcrisis van 1880

Onafhankelijk van de ontwikkelingen in het landbouwonderwijs hobbelde de land- en tuinbouw zorgeloos verder. Zo rond 1850 kregen de boeren nog hoge prijzen voor hun producten, maar in 1878 begon plotseling een algemene prijsdaling die resulteerde in een acute landbouwcrisis. Daarnaast bleek in 1884 tijdens een grote landbouwtentoonstelling in Amsterdam dat de Nederlandse landbouw een ernstige achterstand op andere landen had op technisch gebied en qua effectiviteit en efficiency. De Nederlandse landbouw liep het risico in haar geheel te worden weggeconcurreerd!

De regering kon voor deze toestand ook de ogen niet sluiten en benoemde reeds in 1886 een ‘Landbouwcommissie’. Deze commissie had tot doel een onderzoek in te stellen naar de toestand van de landbouw in Nederland en de oorzaken daarvan. Een vijftigtal rapporteurs, dat de commissie bijstonden, gaven als oorzaak van de slechte staat van de landbouw onvoldoende ontwikkeling en een gebrek aan vakkennis op. Slechts 15 van hen pleitten voor het geven van vakonderwijs als middel ter verbetering van de landbouwkennis en –kunde. Winterscholen en wintercursussen werden daarbij het meest genoemd. Ondanks het feit dat maar weinigen dit voorstelden, heeft de ‘Landbouwcommissie’ toch het voorstel overgenomen voor de landbouwwinterscholen. Dat de regering dit voorstel niet overnam is jammer te noemen, maar een belangrijke stap werd toch gezet met de benoeming van een ‘Inspecteur voor het middelbaar onderwijs, belast met het toezicht op de landbouwscholen’. Deze inspecteur werd in 1892 benoemd.

De ‘Landbouwcommissie’ heeft zich niet alleen sterk gemaakt voor de landbouwwinterscholen, maar ook voor rijkslandbouwleraren. Dit werd gedaan omdat verschillende organisaties reeds over waren gegaan tot het aanleggen van proefvelden. Ook de regering stelde vervolgend geld beschikbaar voor de aanleg van proefvelden. Uit de ervaringen met de reeds bestaande proefvelden was echter gebleken dat deze het beste functioneerden onder deskundige leiding. Daarom werd besloten over te gaan tot de aanstelling van rijkslandbouwleraren. In de provincie Groningen werd de heer Ir. Jan Heidema met ingang van 1 maart 1893 in deze functie aangesteld.

De rijkslandbouwleraren werden belast met de landbouwvoorlichting, het houden van voordrachten, het opleiden van onderwijzers voor de lagere akten land- en tuinbouwonderwijs en het houden van toezicht op de avondcursussen voor land- en tuinbouwonderwijs. Een aantal van de rijkslandbouwleraren werd naderhand belast met de directie van landbouwwinterscholen….

 

De eerste landbouwwinterscholen

Het schoolgebouw in de Steentilstraat

In 1893 trok de regering voor het eerst geld uit voor de oprichting van landbouwwinterscholen. Blijkbaar vanwege de massale steun van verschillende landbouworganisaties in de provincie Groningen werd er niet alleen zo’n school in Goes opgericht, maar ook in de stad Groningen. De eerste school werd gevestigd in de Steentilstraat, in een gebouw dat eigenlijk ongeschikt was voor het huisvesten van een school. Toch heeft de ‘Rijks Landbouw Winter School’ hier tot 1905 gezeten. Tot eerste directeur werd benoemd…. de heer ir. Jan Heidema. Aangezien de locatie Steentilstraat mede door het vele lawaai aldaar ongeschikt was voor het onderwijs, werd al snel uitgezien naar een andere plek. Na langdurige onderhandelingen met tal van overheden en organisaties kreeg men niet alleen een bouwterrein, maar ook de gelden om hier een adequaat schoolgebouw neer te zetten. Dit schoolgebouw kwam te staan bij het hoofdstation aan de Parallelweg, de latere Prof. Dr. H.C. van Hallstraat. Door de snelle groei was dit schoolgebouw binnen enkele jaren reeds te klein en werd omgezien naar gelden voor een uitbreiding.

De redding kwam in de vorm van de Middelbare Landbouw School. Na de opheffing van de Wageningse Rijkslandbouwschool werd immers deze school opgericht als vervanger. Om deze school ruimte te bieden werd het bestaande gebouw uitgebreid. De heer Heidema was nu directeur van twee scholen gevestigd in 1 gebouw.

 

Samen verder

Na de oprichting van de Middelbare Landbouw School en haar intrek bij de Rijks Landbouw Winter School kwam het landbouwonderwijs tot grote bloei. Beide scholen maakten een sterke groei door. Van belang voor beide scholen was de oprichting in 1921 van de ‘lagere landbouwscholen’. Niet alleen waren vele docenten aan deze school afkomstig van de Middelbare Landbouw School en (met name voor het praktijkgedeelte) van de Rijks Landbouw Winter School, zij werd ook een belangrijke leverancier van leerlingen aan deze scholen. Deze ontwikkeling tekent ook de veranderingen in onderwijsland, aangezien bij de oprichting van de landbouwwinterschool slechts uitgebreid lager onderwijs was vereist!

Ook het landbouwonderwijs heeft in de loop der jaren tal van veranderingen ondergaan. Was er voor 1893 alleen nog sprake van avondcursussen, met de oprichting van de landbouwwinterschool deed het dagonderwijs haar intrede. Aanvankelijk bestand het lespakket slecht uit 24 of 25 lesuren, in 1956 was dit opgelopen tot 32 uur (later, in 1968, zelfs 35 uur).

1957 markeerde een belangrijk punt in de geschiedenis van de Middelbare Landbouwschool en de Rijks Landbouw Winter School. Het onderwijs werd namelijk gereorganiseerd. De eerder genoemde scholen werden nu respectievelijk de Hogere Landbouw School en de Middelbare Landbouw School. Door de groei en ontwikkeling van het landbouwonderwijs hadden beide scholen deze status in de praktijk al, maar nu kwam het eindelijk ook formeel af!

 

Jan Heidemaschool

Een ander belangrijk jaartal werd 1962. In dat jaar nam de ‘Groninger Maatschappij voor Landbouw’ het beheer over van de Middelbare Landbouwschool. Consequentie hiervan was dat de Middelbare Landbouwschool het complex aan de Prof. Van Hallstraat moest verlaten. Gelukkig kon men nog even op de oude locatie blijven, maar in januari 1963 werd het gebouw Haddingestraat 26 betrokken. Dit gebouw voldeed in zijn geheel niet aan de eisen voor fatsoenlijk onderwijs, onder meer door het ontbreken van practicumlokalen. De primitieve huisvesting zorgde er voor dat er veel druk op de ketel stond om deze toestand te verbeteren. Een geluk daarbij was dat Groningen op dat moment vlot aan het uitbreiden was en volop bezig was met de ontwikkeling van de wijk Laanhuizen. De nieuwe wijk zou dan ook vlot het thuis worden van de nieuwe school. In december 1965 kon de eerste paal de grond in, en in mei 1967 was men dusdanig ver gevorderd dat er verhuisd kon worden. Weliswaar moesten er nog veel detail geregeld worden, maar men verkoos een onaf gebouw boven een primitief en ontoereikend gebouw. Op 27 oktober 1967 werd het gebouw geopend, waarbij eveneens de nieuwe naam van de school ‘Jan Heidemaschool’ werd onthuld.

Met de opening van het nieuwe gebouw in Laanhuizen was het landbouwonderwijs nog lang niet aan het einde van zijn ontwikkeling. Zowel de Hogere las de Middelbare Landbouwschool onderging nog vele veranderingen in leerlingental, lespakketten en formele structuren. Eind jaren tachtig mocht ook de Hogere Landbouwschool een adequaat nieuw schoolgebouw in gebruik nemen. Dit fraaie complex is gevestigd in aan de noordkant van de wijk Helpman. De Hogere Landbouwschoolschool kreeg bij die gelegenheid ook een nieuwe naam: Van Hall Instituut.

De jaren tachtig en negentig werden echter ook gekenmerkt door grootschalige scholen fusies. Dit ging dusdanig snel en groots, dat een volledig overzicht ondoenlijk is. Toen de stofwolken opgetrokken waren bleek de Jan Heidemaschool opgegaan te zijn in het AOC Terra, gevestigd in het voormalige complex van het Van Hall Instituut. Het Van Hall Instituut bleek onderdeel geworden te zijn van de Hogeschool Leeuwarden, die het agrarisch onderwijs volledig in Leeuwarden wilde concentreren. Een felle juridische strijd heeft geresulteerd dat alleen de milieukundeopleidingen van dit instituut nog in Groningen gevestigd zijn.

 

Bronnen:

 

Laatst gewijzigd: 14-11-2004